Lesgeven in de praktijk

Op deze pagina vind je enkele nuttige voorbeeldactiviteiten en praktische tips om je (Engelse) lessen leuker en beter te maken. Sommige onderdelen zijn in het Engels opgenomen. Wel zo handig, aangezien je een en ander toch vaak in het Engels moet uitleggen..!

  • Praktische tips voor en tijdens de les
  • Introductiespellen en lesactiviteiten in het Engels
  • Introductiespellen en lesactiviteiten in het Nederlands

Praktische tips voor & tijdens de les

Voor de les

Weet in welk lokaal je lesgeeft. Wanneer mogelijk ga dan een paar dagen eerder eens kijken in het lokaal. In ontwikkelingslanden zijn leslokalen niet altijd zoals wij ze kennen. Probeer jezelf vertrouwd te maken met de ruimte:

  • Waar sta ik als docent.
  • Waar zitten mijn leerlingen. Zitten ze allemaal in rijen naast elkaar? Zitten ze in een U? Zitten ze per paar aan tafels?
  • Welke voorzieningen heb ik tot mijn beschikking? Is er een schoolbord, schrijfmateriaal, papier etc, etc.?
  • Waar zitten de ramen en de deur?

De eerste les is altijd super spannend!


  • Haal diep adem.
  • Adem met je buik en niet met je borst.
  • Denk: "Ik weet het beter dan de leerlingen, want ik ben de docent. Pas wel op dat je door deze gedachte niet te arrogant overkomt.
  • Handel zo zelfbewust mogelijk. Dit versterkt het gevoel van het vorige punt.
  • Wees aanwezig in het lokaal wanneer de leerlingen binnenkomen.
  • Zoek andere docenten/collega's op voor een praatje. Dit haalt je gedachten even van de les af. Je hebt de laatste dagen al genoeg aan je lessen gedacht.


Tijdens de les

  • Een vol bord leidt af. Zorg er daarom voor dat je regelmatig je bord schoon veegt. Zorg er dan ook voor dat je geen strepen achterlaat en maak het hele bord schoon. Sommige docenten maken alleen het bord schoon waar ze willen schrijven. De rest van de tekst laten ze gewoon staan. Dit ziet er dan rommelig en smerig uit. Het leidt veel leerlingen af.
  • Bedenk relevante vragen die je de klas kunt stellen. Bedenk voor jezelf niet alleen de juiste maar ook de foute antwoorden. Wees niet verbaasd wanneer leerlingen antwoorden weten te bedenken waar jij als docent nog nooit aan gedacht had.
  • Geef leerlingen genoeg tijd om na te denken over de vraag en de mogelijke antwoorden. Stimuleer cursisten om een antwoord te geven. Geef als docent niet te snel het antwoord voor de klas. Het nadenken over de vraag en de antwoorden helpt cursisten bij het verwerken van de inhoud. Niet te snel voorzeggen dus!!
  • Wees niet bang voor de stilte die na het stellen van de vraag kan vallen. Deze stilte geeft aan dat jouw leerlingen bezig zijn met nadenken. Als duidelijk blijkt dat niemand het antwoord gaat geven, dan zijn er twee mogelijkheden: Geef het juiste antwoord of geef een hint om je leerlingen op de juiste weg te helpen.
  • Wat doe je wanneer je een goed antwoord op je vraag krijgt? Wat doe je eigenlijk wanneer je een verkeerd antwoord krijgt? Wat doe je wanneer je een totaal verkeerd antwoord krijgt?
    • Lach de leerling niet uit om zijn of haar foute antwoord.
    • Geef een compliment wanneer het antwoord juist is. Probeer wel gepaste complimenten te geven en het aantal juist te doceren. Niets irriteert zo erg als een docent die bij elk antwoord zegt: "Geweldig antwoord ...".
  • Probeer tijdens de les oogcontact te maken met iedere leerling in je lokaal. Met de leerlingen in het midden, maar vooral ook met de leerlingen achterin en aan de rand. Geef iedere leerling het gevoel dat je hem persoonlijk hebt aangekeken en dat jij hebt meegekregen dat hij of zij in je lokaal heeft gezeten. Dit schept een band tussen jou en de leerlingen die de sfeer ten goede komt.

 

Introductiespellen en lesactiviteiten in het Engels

Team Games
Everyone loves competitive games. This type of game can involve running and writing the answer on the board, throwing balls, or the quieter tabletop version of simply holding up the correct answer. Don’t forget: adults can be just as competitive as children, so introduce these games to all age ranges. They take little preparation and can be used as a starter or a main activity in your lesson. This version tests listening skills and comprehension of directions, but can equally be used for numbers, items of clothing, or even animals.
1. Go over directions (turn right, turn left, go round the corner, take the second right etc)
2. Split class into 2 or 3 teams, line each team up in front of board
3. Shout out a direction; the first student from each team must then run to the board and draw the corresponding diagram. The first person to draw the correct diagram wins a point.
If you prefer, you can have the diagrams pre-prepared so the student selects the correct diagram and pins it to the board, but we find that students gain more from the process of drawing out the direction.


Quizzes
Quizzes are always popular and are great for testing the what/ where/when questions. Ask students to write their own questions in teams, or form questions using a simple text. A firm favourite with teachers and students, quizzes can be invaluable for practising superlatives (biggest/longest/widest) and can also be modelled on popular TV shows.


Bingo
This game requires little explanation. Play bingo with numbers, or for a more creative approach, use flashcards and vocabulary. The grids can be prepared easily beforehand and given out at the beginning of the lesson.


Who am I? (10-15 mins)
This is a fantastic ice-breaker and a good game for both children and adults. For this game you’ll need:

  • Post-its
  • Sticky tape (just in case)
  • Pens

1. Hand out a post-it to each of the students.
2. Tell your students to write the name of someone famous that everyone in the class knows on their post-it; this person can be dead or alive. It is important to keep the name on the post-it secret!
3. Stick the post-it onto the back of the person sitting next to you (this is where sticky tape can be handy!)

Split the class into pairs; each person must find out who they are by asking questions. Here are some examples:
1. Am I dead or alive?
2. Am I male or female?
3. Where do I live?
4. What do I do?

The only question your students are not allowed to ask is, of course, ‘what is my name?’! Once each person from the pair has found out their name, they can swap post-its with another person. A simpler version of this game is adaptable for younger children, using animals in the place of famous people.


Twister
Twister? Yes, Twister. This is a great game for learning body parts, colours, right and left, giving instructions, and having a giggle at the same time! A good activity to set a small group, and children love the silly aspect of this game. The child who falls down must then take the place of the person who twirls the arrow.





Introductiespellen en lesactiviteiten in het Nederlands


Je baan in het buitenland is geregeld. Je geeft een half jaar Engelse les geven in China. Maar hoe houd jij in de zinderende hitte de leerlingen bij de les nadat jij een uur hebt uitgetrokken om hun het verschil tussen de ‘past-simple’ of de ‘past perfect’ bij te brengen. Met andere woorden wat doe jij als de kinderen op het punt staan om met propjes te schieten, je ontwetend aanstaren of in slaap dreigen te vallen?

Hieronder vind jij een paar spelletjes en activiteiten die leerzaam en leuk zijn om samen te ondernemen. Goed voor de afwisseling en sfeer en tevens goed voor de ontwikkeling van hun Engels.


Vangbal (voor 8-12 scholieren)
Benodigdheden: bal

Dit balspel bevordert het reactievermogen van de student. Hij leert snel en goed antwoorden. De studenten vormen een cirkel en de leraar gaat met de bal in het middelpunt van de cirkel staan (of hij helpt de student die in het midden plaatsneemt.

Leerkracht: What are you having for dinner tonight? (hij gooit de bal naar een de scholier)
Scholier: I’m having vegetables with potatoes (hij gooit de bal terug naar de docent).

Als de scholier langer dan vijf seconden nadenkt voordat hij antwoord geeft moet de scholier in het midden van de cirkel de plaats van de docent innemen en de vragen stellen aan zijn team- of klasgenoten. Totdat een volgende klasgenoot het antwoord niet meer weet. Deze activiteit bevordert niet alleen de Engelse mondelinge vaardigheden maar zijn ook goed voor de motoriek en de sfeer in de groep.

Geheugenspel:
Benodigdheden: niet noodzakelijk maar kan wel als hulpmiddel dienen. Bijvoorbeeld een landkaart

Een geheugenspel helpt kinderen met het leren van moeilijke woorden en hierdoor verbetert hun uitspraak. Het helpt tevens bij het oefenen van de zinsopbouw. Het is soms handig om de voorwerpen die jij benoemt ook in de buurt te hebben. Dit helpt de leerling.

Leerkracht: What are you doing tomorrow?
Eerste Scholier: In the summer, I went on holiday to Greece
Tweede scholier: In the summer, I went on holiday to Greece and Russia etc.

Of:

Leerkracht: What do you see in the classroom?
Eerste scholier: In the classroom I see a table.
Tweede scholier: In the classroom I see a table and a pencil
Derder scholier: In the classroom I see a table, a pencil and a paper


Wie ben ik?
Benodigdheden: post-it, plakband (extra) en pen

Elke leerling schrijft de naam van een bekend persoon (of een dier bij jongere kinderen) op een post-it en plakt de post-it op de rug van zijn of haar buurman.
Door vragen te stellen aan de ander ontdekt de scholier welke bekende naam op zijn voorhoofd prijkt.

Je kan hierbij de klas in groepjes van twee verdelen.

Voorbeelden van vragen zijn bijvoorbeeld:
1. Am I dead or alive?
2. Am I male or female?
3. Where do I live?
4. What do I do?

Het enige wat de scholieren niet mogen vragen is natuurlijk: ‘What’s my name?’.

Kennismakingspel
Benodigdheden: niets

Dit spel is bedoeld om kennis met elkaar te maken en de uitspraak te verbeteren. Je kan dit het beste met maximaal 15 personen spelen (en dat is al best veel).

Scholier 1:
My name is Louise and I like to read a book (beeld uit dat jij een boek leest).
Scholier 2:
Her name is Louise and she likes to read a book (beeld uit dat jij een boek leest).
And my name is Susan and I like to jump (spring)
Etc.

Je kan hierbij ook grappige bewegingen verzinnen die de scholieren moeten uitbeelden. De docent zet op het einde alle activiteiten en namen nog eens op een rijtje (leuk voor de leerlingen om te zienJ.

What’s the time Mr. Wolf?
Benodigdheden: krijt of grens die aangeeft waar de ‘schapen’ veilig zijn voor de ‘wolf”.

Bij dit spel moeten de kinderen aan de overkant komen, in het veilige gebied, zonder dat zij door de wolf worden gegrepen. Hierbij hebben de kinderen veel plezier terwijl ze goed leren om de tijd in het Engels aan te duiden.

Eén persoon speelt de wolf en de andere scholieren zijn de schapen. De wolf staat met zijn rug naar de schapen toe en kijkt dus naar de veilige haven. De schapen staan ongeveer tien meter van de veilige thuishaven vandaan.

Een schaap vraagt: What’s the time Mr. Wolf? En de wolf antwoordt. Hij noemt een willekeurig tijdstip op de klok. Bijvoorbeeld: It’s 2 o’clock. De schapen mogen dan twee stappen naar voren lopen. Als de wolf bijvoorbeeld zegt: It’s 5 o’clock mogen de schapen vijf stappen naar voren zetten.

Maar als de wolf zegt: It’s dinner time... mag de wolf zich omdraaien en schapen vangen die nog niet veilig in hun huis gekomen zijn. Want de schapen moeten zorgen dat zij zo snel mogelijk aan de overkant komen bij ‘dinnertime’. Als jij gevangen wordt door de wolf ben je af.